Het deelwoord

Verslagen van een taalvorser

Dat ze haar hand maar eens in eigen boezem steekt!

De spelling is als het slag mensen dat er vilein genoegen in schept wanneer je een puistje, een haar op je tepelhof of een extra pondje ontwikkelt. In elk futiel falen weet zij het leedvermaak te vinden. Zo zit zij vanop haar troon hautain met haar hete adem in je nek te blazen smekend om de dag waarop je over choquante przewalskipaarden moet schrijven of –oh, geen schitterender jolijt- een dt-fout maakt.

Als een zwaard van Damocles hangt ze boven onze hoofden en ze lijkt daarbij niet te beseffen dat ze slechtgesmeed is. Want wat er soms echt fout gespeld is, is de spelling zelf. Aha, laat ons het daar eens over hebben!

We hebben allemaal moeten leren dat het zelfstandig naamwoord grootte als grootte wordt gespeld en niet als grote. Daar is een goede reden voor. Het bestaat immers uit de stam groot en het woorddeeltje –te, net als breed-te, leng-te en hoog-te. Dat moet je dus maar begrijpen als je niet tot in de diepste laagtes van de achting van Hare Majesteit De Spelling wil vallen.

Ik wil dat best begrijpen. En daarom denk ik ook dat we tachttig zouden moeten schrijven in plaats van tachtig. Want, kijk, tachtig bestaat uit het woorddeeltje t-, de stam acht en het woorddeeltje –tig. Dat het laatste deel –tig is en niet –ig, hoor je duidelijk in vijf-tig, zes-tig, zeven-tig en negen-tig. Dus als we consequent zijn, schrijven we t-acht-tig oftewel tachttig. Kortom, de foute juiste spelling van tachtig is lastig.

Wil ik er nu voor pleiten om voortaan maar tachttig te schrijven? Nee, niet echt. Maar ik wil u er wel op wijzen dat u met een wispelturige pestkop van een koningin te maken heeft die perfectie van u eist terwijl ze zelf haren op haar tepelhof heeft.

Advertisements

Je buren

In het vreemde zie je het vertrouwde soms stellig klaarder. Op zondag 6 juli 2014 stond ik met een dertigtal taalkundigen op de Mount Scopus, een Joodse enclave op een berg waar de universiteit van Jeruzalem ligt. We zagen de Joodse French Hill die er met de talloze aangelegde bomen uitzag alsof Disney zelf zich ermee gemoeid had. Daarnaast ligt een Arabische wijk. In die wijk heeft men nauwelijks verharde wegen, maar wel een muur om zich heen. Misschien kwam het door de nabijheid van de Olijfberg, maar mijn blik werd vertroebeld door de balk in mijn eigen oog. Kijkend naar Jeruzalem, schaamde ik me voor Brussel. Ik schaamde me voor de blokken aan de Grootsermenstraat waarin kinderen opgroeien en de containerklasjes waarin ze les volgen. Ik schaamde me voor de stroeve arbeidsmarkt die nauwelijks wil erkennen dat de islamitische studenten die ik onderwezen heb in dezelfde aula zaten als de anderen. Ik schaamde me voor de apartheid die willens nillens een samenleving kan binnenrollen als een modderweg.

Ik was in Jeruzalem om een conferentie over woordvorming bij te wonen. De conferentie ging over stamvarianten, zoals de variatie tussen kind en kinder in kindje en kindertjes. Zulke varianten komen zeer vaak voor in meervouden en verkleinwoorden in de talen van de wereld. In die talen is het dan bijna altijd zo dat de speciale variant van de stam opduikt in zowel het gewone meervoud als in het meervoudige verkleinwoord. In het Jiddisch, bijvoorbeeld, is het meervoud van kind kinder en het meervoudige verkleinwoord is kinderlex. Je hebt dus kinder in beide vormen. In het Nederlands zegt iedereen natuurlijk ook kinderen, het meervoud waarin je de stamvariant kinder ziet en in het meervoudige verkleinwoord kan kindertjes ook nog wel. Het patroon dat we echter het meeste aantreffen in het Nederlands is dat je kinderen naast een vorm als kindjes hebt. Je kan dus een stamvariant hebben in het gewone meervoud zonder dat je die hebt in het meervoudige verkleinwoord. We hebben bijvoorbeeld wel de vorm steed- met een lange klinker in steden, maar het verkleinwoord is gewoon stadjes en niet steedjes. Blijkbaar duikt de stamvariant in zulke woorden enkel op als het meervoudsdeeltje onmiddellijk naast de stam staat. In steden zijn –en en de stam steed- wel naaste buren, maar in stadjes zit het verkleinwoordsdeeltje ertussen als een afgezant van de UN.

Woensdagochtend, op 9 juli, las ik dat er ‘s nachts twintig Palestijnen omgekomen waren, waaronder burgers en ook kinderen, kindertjes, kindjes, kinderlex. Mijn Israëlische collega citeerde me een vroegere Israëlische minister die erop wees dat Israëls buren geen Belgen zijn. Voor hem is het een uitgemaakte zaak dat je buren je gedrag bepalen.

Ik kan uit de klankleer wel wat redenen verzinnen waarom het meervoudsdeeltje effect kan hebben op de stam. Ik ben er echter nog niet helemaal uit of die denkpiste uit de klankleer de juiste route is. In ieder geval is het feit alleen al dat een stamvariant enkel opduikt als het een specifieke buur heeft slechts spaarzaam bekend. Ik kende slechts een eenzaam voorbeeld uit het Baskisch. Dat het effect zo duidelijk bestaat in het Nederlands, een taal waarvan de woordvorming uitvoerig beschreven is, is dus absoluut bijzonder. Voor stamvarianten is het namelijk nog steeds een relevante onderzoeksvraag of het wel je buren zijn die je gedrag bepalen.

Enkele onderzoekers zouden een halve week langer blijven dan strikt genomen nodig was voor de conferentie zelf. We wilden nog samen praten over nieuwe ideeën, samen schrijven en een redactie opzetten voor een tijdschrift met de resultaten van de conferentie. Ikzelf wilde ook nog Jiddische gegevens verzamelen. Die plannen waren dinsdagavond, 8 juli, gekeerd nadat we vernamen dat de stad waarin we verbleven, aangevallen werd door raketten. Over het tijdschrift werden haastig enkele afspraken gemaakt boven een bord houmous, want de decaan in Brussel deed het nodige om me eerder naar huis te laten komen. In het hotel stuurden sirenes me naar de kelder om te schuilen. Donderdag kon ik naar huis. Op weg naar de luchthaven zag ik vanuit het taxiraam rookpluimen. Kijkend naar dat landschap, dacht ik aan Brussel, met liefde, opluchting en dankbaarheid. De stad waarin we enkel schuilen voor de regen en waar onze campus zich niet terugtrekt in een enclave op een berg, maar luchthartig stad is in de stad. In het vreemde zie je het vertrouwde soms stellig klaarder.

PS Sommigen onder u hebben een vragenlijst ingevuld over stamvarianten in verkleinwoorden en wachten op een uitgebreider verslag daarover dan dit. Daar ben ik me van bewust. U hebt nog wat van me tegoed.

Nagel

Ik kan wel wat instrumenten bedenken om mezelf mee te krabben op lastig te bereiken plaatsen: een potlood, een muur, een meetlat en als er niemand kijkt, ach, waarom ook niet, een vork. Maar zie, wat ik nu nooit eens zou gebruiken is een spijker. Spijkers zijn te scherp en ze bieden nauwelijks verlenging. Vies lijken ze me ook. De modale spijker ligt vast ergens stof te vergaren op de vloer van een werkkot. Groot was daarom mijn verbazing toen ik vernam dat sommige mensen bij het spreekwoord geen nagel om aan je gat te krabben hebben aan een spijkernagel dachten. Zelf had ik altijd aan vingernagels gedacht, want daarmee krab ik mezelf op dagelijkse basis, al dan niet aan mijn gat.

 

Ik had het me al helemaal voorgesteld. De arme medemens was aan hard labeur onderworpen en had daardoor te lijden onder een manke manicure. En terwijl zo’n armzalig wijf met die afgesleten nagels dan haar laatste sneetje brood verorbert aan de wankele eettafel, het enige meubelstuk in het vertrek, waaronder de kat ligt te creperen van het schurft, krijgt zij dan ook nog eens jeuk en wel aan haar gat, nota bene. In het putje van haar miserie moet dat arme mens dan vaststellen dat zij zelfs geen nagel meer heeft om haar gat te krabben. Geen vingernagel, welteverstaan.

 

Ik heb me ongetwijfeld vergist. Als je navraagt hoe Nederlandstaligen het spreekwoord in hun dialect gebruiken dan kan het niet anders of het gaat om een spijkernagel. Er zijn namelijk heel wat Nederlandstaligen die de weinig onhygiënische kant van het krabben met spijkernagels erkentelijk zijn en er expliciet bijvoegen dat die nagel wel verroest moet zijn. In Blankenberge, bijvoorbeeld, bevat het spreekwoord een roste nagel. Verder zijn er Nederlandstaligen die het niet over nagels, maar over scherven hebben. Volgens Google zijn dat dezelfde Nederlandstaligen die het ook over je reet of je billen hebben in plaats van over je gat en van wie de website op .nl eindigt. Enfin, ik stel me er Nederlanders bij voor.

 

Meer algemeen kan je je afvragen wat de betekenis is van woorden in een versteende uitdrukking. De aparte woorden hebben sowieso sporen van hun letterlijke betekenis behouden. Als dat niet zo was, zou niemand verroest voor nagel kunnen zetten. De toevoeging verroest is immers slechts betekenisvol omdat nagel zelf ook nog nagel betekent. Soms krijgt een woord in een spreekwoord echter ook een deel van de spreekwoordelijke betekenis mee. De schaats in een scheve schaats rijden, bijvoorbeeld, betekent wel degelijk zoiets als slippertje of affaire. Dat weet ik omdat je de schaatsen bijvoorbeeld kan tellen, zoals in Zij reed al drie scheve schaatsen. Je kan de schaats ook vooropplaatsen om er nadruk op te leggen, zoals in Een scheve schaats heb ik nog nooit gereden. Tellen en vooropplaatsen kan je niet altijd met spreekwoorden. Je kan bijvoorbeeld niet zeggen We gaan vanavond de drie bloemetjes buiten zetten om aan te geven dat je naar drie feestjes gaat. Evenmin kan De bloemetjes heb ik buitengezet spreekwoordelijk geïnterpreteerd worden. Die verschillen geven aan dat bloemetjes zelf geen spreekwoordelijke betekenis gekregen heeft in tegenstelling tot schaats.

 

Als je gerust een telwoord voor de schaatsen kan zetten in een scheve schaats rijden kan je je terecht afvragen hoe versteend sommige spreekwoorden eigenlijk wel zijn. Voor gehelen die zogezegd bevroren zijn, permitteren ze zich soms verdacht veel folietjes. Zo kan je heel gemakkelijk woorden vervangen door synoniemen. Mensen gebruiken even gemakkelijk reet, billen of kont als gat in geen nagel om … en je vindt het spreekwoord ook met scharten in plaats van krabben.

 

Soms zijn de mogelijkheden zelfs niet beperkt tot synoniemen, maar kan je woorden uit eenzelfde betekenisgroep gebruiken. Wij zijn in het Nederlands bijvoorbeeld graag creatief met ziektes. In een verwensing kan je in onze taal aan de slag met alle denkbare varianten van krijg de tering/tyfus/pleuris of klere (dat is de cholera). Oh, wat we malkander al niet toedichten volgens het net! Een zeepoog, een holstrontverklontering, gloeiende pestpokken, een klapkut, derambam of simpelweg tieten (krijg nou tieten). Het lijkt wel alsof alles kan, zolang het maar wreed of vulgair genoeg is. Krijg de verkoudheid maakt nu eenmaal niet veel indruk.

 

Sommige spreekwoorden zijn dus smeulende of zelfs zeer levendige werkbanken van meestal vieze woorden waarop u kan frezen, spijkeren, zagen en hameren tot u tot in de puntjes duidelijk hebt gemaakt hoe vaak precies iemand naast de pot piste en welke ziekte hij of zij daarom mag krijgen. Andere spreekwoorden zijn wat rigider en vaster. Het reservoir aan spreekwoorden is dus niet één pot nat. Hun onderlinge verschillen worden onderzocht.

Opruimen

Soms regent het in mei. Soms gebeuren er zelfs nog eindeloos veel treuriger zaken die je bij de Grote Vragen doen aanbelanden. Om zulke tollende gedachten te vermijden kan een mens zich vermeien met de kleine vragen. Het lusthof van deze taalkundige zijn dan de woordenboeken van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, een fort van minutieus verzamelde kleine antwoorden, gratis en voor iedereen het net opvrolijkend.

 

Deze week vroeg ik me samen met een collega bijvoorbeeld af of opruimen in hetzelfde rijtje past als opvrolijken, opfrissen en opleuken. Tenslotte zijn het allemaal scheidbare werkwoorden met op waarin je een bijvoeglijk naamwoord kan herkennen (ruim, vrolijk, fris en leuk). Wel, dat is zo opgezocht.

 

Opvrolijken, opfrissen en opleuken klinken jong en dat zijn ze ook. De voorbeelden in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het WNT voor de vrienden, zijn niet ouder dan eind achttiende-eeuws. Je zou de indruk kunnen krijgen dat we pas sinds een goede tweehonderd jaar scheidbare werkwoorden vormen van bijvoeglijke naamwoorden en op. Dat is echter niet zo. Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek werd opschonen al in het Middelnederlands gebruikt, al zei men destijds nog opsconen. Opruimen, ten slotte, is zo oud als de straat. Het wordt al aangetroffen in teksten uit de dertiende eeuw, dus in het Vroegmiddelnederlands. Mogelijk is het zelfs veel ouder, maar oudere bronnen zijn schaars en zeer beperkt. Uit plaatsnamen zoals Rumbeke, Rumpt en Ruimel weten we in ieder geval dat het bijvoeglijk naamwoord ruim echt ontzettend oud moet zijn. Dat staat in het Oudnederlands Woordenboek. Opruimen verschilt dus wezenlijk niet van opleuken. Het werd minstens vijf eeuwen eerder gevormd, maar wel volgens precies hetzelfde recept. Men neme een bijvoeglijk naamwoord en men make een scheidbaar werkwoord met op.

 

De betekenis van opruimen sprak in de Middeleeuwen overigens meer tot de verbeelding dan de huidige betekenis. Naast wegruimen kon het toen ook plunderen betekenen. Daarnaast had men ook het werkwoord ruimen, al betekende dat dan wel opruimen. In het huidige Nederlands bestaan beide vormen natuurlijk ook, maar dat is waarschijnlijk omdat we ze zo overgeërfd hebben. Goed, de betekenissen zijn verschoven, maar dat doet hier verder niet ter zake. Wat mij intrigeert is dat we in het huidige Nederlands geen werkwoord leuken hebben. Wij kunnen helemaal niet zomaar een bijvoeglijk naamwoord nemen en er zonder meer een werkwoord van maken. In de Middeleeuwen was dat wel even anders! Naast ruimen had men toen ook sconen, ouden, jongen, vremden, vrolijken, bosen, couden, wermen, bangen, angstigen, zwangeren, sekeren, kleinen, natten, droghen, donkeren, frayen,… Meestal betekenden al die werkwoorden wat je zou verwachten dat ze betekenen. Droghen is droog maken of droog worden en bosen is dus ook gewoon boos maken of boos(aardig) worden. Vrolijken had overigens een beetje een aparte betekenis. Het verwees naar een meer vleselijke activiteit waar je zo mogelijk nog lustiger van wordt dan van woordenboeken raadplegen.

 

Sommige van die vormen hebben we bewaard. Warmen en drogen behoren tot mijn woordenschat. Maar het is absoluut niet zo dat je vandaag de dag lukraak een bijvoeglijk naamwoord kan nemen en er zonder verder gedoe een werkwoord van kan maken. Je kan een outfit bijvoorbeeld wel hip maken, maar je kan hem niet hippen. In het Middelnederlands had dat dus wel gekund. Het is volstrekt onduidelijk waarom het Middelnederlands en het huidige Nederlands hierin verschillen. Als taalkundige zou ik dat graag achterhalen.

 

Zo kan ik uren doorbrengen in die woordenboeken op zoek naar antwoorden en naar onschuldige vragen over vergankelijkheid. En ondertussen houdt het dan vaak zelfs op met regenen.